05 november 2011


Belangrijk meer m-v transgenders dan homo's

Op de Transgender-InformatieDag in Groningen dit jaar (2011) (hier) mocht ik samen met Jeanine een presentatie/discussie verzorgen over gewone transgenders.

Met 'gewone transgenders' bedoelen we m-v transgenders (travestieten, transseksuelen en mannen in rok) zoals je die tegenkomt op de T&T-bijeenkomsten door het hele land. Dit waren de transgenders die Paul Vennix in zijn studie Travestie in Nederland en Vlaanderen (1997) beschreef.

De organisatoren van de dag hadden ons gevraagd het te hebben over 'klassieke transgenders'. Dat klinkt goed, maar dat begrip bleek uiteindelijk volledig te herleiden op oude blognotities van mij. De term kwam eerder dus niet voor. Mijns inziens moeten we dat maar zo proberen te houden, want die term is nogal verwarrend. Ze lijkt erg op het begrip 'klassieke transseksueel', wat iets heel anders betekent.

Met die laatste term bedoelde men een transseksueel die volledig gericht was op mannen. Iets wat ik nu liever en neutraler zou aanduiden als 'showgirl-transseksueel'. De prachtige en charmante Thaise lady-boys zijn typische voorbeelden van showgirl-transgenders. Showgirl-transgenders willen mooi zijn, houden van aandacht en zijn sterk gericht op andere mensen.

Showgirl-transgenders zijn dus normaal niet het publiek dat je tegenkomt op de Nederlandse T&T-bijeenkomsten. Wat kom je daar dan wel tegen? Dat zijn M-V transgenders die in de kast zijn opgegroeid, dus thuis met de gordijnen dicht. Travestie is een groot taboe, maar juist daardoor is het ook een opwindend en ontspannend iets. In de kast groeit die identificatie met de vrouw die men zelf probeert te zijn. Tenslotte houdt men het in de kast niet meer uit en besluit men soms tot een transitie. Ik dacht op internet voor transvrouwen wel eens de wat denigrerende term 'huisvader-trans' te zijn tegengekomen. Het was een brave huisvader en nu is het een transvrouw. Zelf heb ik wel de term 'kast-travestiet' gebruikt als het nog niet tot een transitie gekomen was. Maar ook dat klinkt wat denigrerend. Neutraler is dan de term 'gewone' transgenders.

Waarom 'gewoon'? Ze zijn 'gewoon', omdat er heel veel van zijn. Showgirl-transgenders moet je in ons land met een lampje zoeken. Ze zien zichzelf vaak ook niet als 'transgender', maar als 'homo'. Op die manier heb je aansluiting bij en bescherming van een duidelijke groep. Maar 'gewone' transgenders zijn niet homo en willen dat vaak ook beslist niet zijn. Ze voelen zich aangetrokken tot vrouwen en tot zichzelf als vrouw en zijn dus hetero of bi.

Hoeveel van die 'gewone' transgenders zijn er eigenlijk? Jeanine had als stelling bedacht dat er ongeveer even veel gewone transgenders zijn als homo's. Klopt dat?

Aan mij de taak dit nog eens opnieuw uit te zoeken. Het meest recente bevolkingsonderzoek dateert uit 2006 en is getiteld Seksuele gezondheid in Nederland 2006 onder redactie van Floor Bakker en Ine Vanwesenbeek en is uitgevoerd door de Rutgers Nisso Groep. (Uitgever: Eburon, Delft).

In dit onderzoek werd aan de respondenten gevraagd of ze wel eens 'bijzondere seksuele verlangens, ook wel parafilieën genoemd', hadden (p. 56). Je doet een bevolkingsonderzoek en dan formuleer je zo'n vraag! Een basisregel bij vraagconstructie is dat je de termen van je respondent moet gebruiken en niet de eigen vaktermen. Maar goed, gedane zaken nemen geen keer.

Wanneer respondenten die vraag met 'ja' beantwoordden, werd vervolgens gevraagd naar het verlangen naar en/of praktiseren van 4 specifiekere zaken: sadomasochisme, pedofilie, fetisjisme, travestie. Travestie werd hierbij omschreven als: 'zich kleden als iemand van de andere sekse en dit als seksueel opwindend ervaren'.

Een transgender die zich wel regelmatig verkleedt als vrouw, maar dat niet seksueel opwindend vindt, moest deze vraag dus ontkennend beantwoorden. Ook mannen die wel vrouwenkleren aantrekken, maar zich niet volledig verkleden als vrouw, bijvoorbeeld mannen-in-rok, moesten deze vraag dus met 'nee' beantwoorden.

Van de mannen gaf 3,3 procent aan te verlangen naar deze vorm van travestie. Voor de vrouwen was dat veel minder met 0,2 procent. Het percentage mannen dat aangaf dit te praktiseren, was nog iets minder met 2,8 procent. Voor de vrouwen was dit 0,1 procent.

Als we uitgaan van die 2,8 procent, is het dus heel waarschijnlijk dat dat een ernstige onderschatting vormt. De vraag werd niet aan iedereen gesteld doordat men werkte met een voorvraag, niet iedereen zal dit punt waar zo'n zwaar taboe op ligt onmiddellijk toegeven en verder was de formulering dusdanig dat heel veel travestie bij voorbaat buiten de boot viel.

Maar het onderzoek bevatte ook nog twee vragen naar de gender-identiteit (p. 181). De vraag was in hoeverre men zichzelf psychisch als man en als vrouw beschouwde. Mensen die zichzelf psychisch veel meer de andere dan de eigen sekse ervaren, hebben een tegengestelde genderidentiteit. Dit is bij 0,5% van de mannen en bij 0,5% van de vrouwen het geval.

Verder heeft 5,1% van de mannen en 5,0% van de vrouwen een ambivalente genderidentiteit. Zij ervaren zichzelf psychisch als tenminste evenveel man als vrouw.

In totaal heeft dus 5,6% van de mannen een ambivalente of een tegenovergestelde genderidentiteit.

Tot zover is alles oude kost. Het bevolkingsonderzoek ligt er al weer een aantal jaren en deze twee percentages (5,6% van de mannen voelt zich niet echt man en tenminste 2,8% verkleedt zich als lid van de andere sekse en vindt dat seksueel opwindend) waren bekend. Het vervelende was alleen dat niet duidelijk was, in hoeverre deze twee groepen overlapten. Het kan zijn dat mannen die zich verkleden als vrouw, omdat ze dat seksueel opwindend vinden ook juist de mannen zijn die een ambigue genderidentiteit hebben.

Om hier achter te komen, heb ik in het verleden de Rutgers NISSO groep wel eens benaderd, omdat men daar nu eenmaal over de data beschikte en het dus simpel kon nakijken, maar allemaal tevergeefs. Onderzoekers en onderzoeksinstellingen zijn er niet happig op om data uit handen te geven, omdat eventuele fouten en slordigheden dan aan het licht kunnen komen.

Bij het opnieuw uitzoeken van deze gegevens merkte ik echter, dat ik de betekenis van een terloopse opmerking op pagina 56 gemist heb. Daar staat namelijk op een plaats waar je het niet onmiddellijk verwacht: 'Er wordt geen verband gevonden tussen het verlangen naar en praktiseren van travestie [enerzijds] en een ambivalente genderidentiteit [anderzijds].' Met andere woorden: deze twee variabelen zijn ongecorreleerd.

Dat betekent dat de overlap precies volgens de regel voor onafhankelijke kansen is. In dit geval is dat dus .056x.028 = 0.0016 of 0,16%. Afgerond een overlap van 0,2%. In totaal hebben we dan tenminste: 5,6%+2,8%-0,2%=8,2% m-v transgenders.

Uitgaande van het laatste Rutgers/Nisso bevolkingsonderzoek uit 2006 is dus tenminste 8,2% van de ondervraagde mannen transgender in de zin dat men zich evenzeer vrouw als man voelt of doordat men zich daadwerkelijk als vrouw verkleedt.

Hoeveel (mannelijke) homo's hebben we? Volgens hetzelfde bevolkingsonderzoek (p. 169) zijn er dan vier verschillende criteria mogelijk. We kunnen afgaan op tot wie men zich zegt aangetrokken te voelen. We kunnen afgaan op met wie men zegt ooit seks gehad te hebben. We kunnen afgaan op wat men aan sekspartners opgeeft voor de afgelopen 6 maanden en we kunnen afgaan op hoe men zichzelf definieert (de identiteit).

De sekspartners in de afgelopen 6 maanden geven mijns inziens geen betrouwbaar beeld omdat biseksuele mannen (10,3% van alle mannen voelt zich aangetrokken tot mannen en vrouwen) in de praktijk sneller een man kunnen oppikken dan een vrouw. Je verwacht dus dat je afgaande op dit criterium iets te hoog uitkomt. Dat klopt ook met de cijfers in de tabel: 4,6% van alle mannen heeft de afgelopen 6 maanden alleen een man als sekspartner gehad.

De meest strikte definitie is met wie men het ooit gedaan heeft. Iedere homo die ooit iets gehad heeft met een vrouw, valt dan af. In dat geval blijft 2,7% van de mannen over als volledig homo.

Iets minder strikt, is tot wie men zich zegt aangetrokken te voelen. De mogelijkheden zijn: man/vrouw/beide. Een 3,1% van alle mannen zegt zich alleen aangetrokken te voelen tot mannen.

Kijken we naar hoe men zichzelf omschrijft, dan zegt 4% van alle mannen 'homo' te zijn. Maar de groep die zichzelf benoemt als 'bi' is in verhouding erg klein (3,1% terwijl 10,3% zich aangetrokken voelt tot mannen en vrouwen), dus vermoedelijk is het voor een bi-man sociaal eenvoudiger om te zeggen dat hij 'homo' is en is dit percentage daardoor dus iets te hoog.

Ongeacht welke van de definities je kiest, het percentage homo-mannen ligt dus op minimaal 2,7% en maximaal op 4,6%. Persoonlijk zou ik dan uitgaan van de voorkeur die men zegt te hebben en dan is 3,1% homo. (Inmiddels zijn we weer een paar jaar verder, is het homo-zijn weer iets meer geaccepteerd en zal het percentage homo's dus vermoedelijk nu nog iets hoger liggen.)

Ook bij deze percentages moet weer de kanttekening gemaakt worden dat veel mannen zich vermoedelijk wel sterk aangetrokken voelen tot mannen, maar dat nooit zullen toegeven. Het is dus heel goed mogelijk dat het werkelijke percentage mannen dat zich aangetrokken voelt tot vooral mannen in werkelijkheid het dubbele of het drievoudige van 3,1% of nog meer kan bedragen.

Samenvattend, tenminste 8,2% van alle Nederlandse mannen is transgender. Volgens hetzelfde bevolkingsonderzoek is maximaal 4,6% van de mannen homo. Beide percentages vormen vermoedelijk drastische onderschattingen. Maar zoals de gegevens nu liggen, zijn er dus bijna twee keer zo veel M-V transgenders als mannelijke homoseksuelen.

3 reacties

Anonymous Sabine TV zei...

Dat zou betekenen dat de uitkomst van de seksenquete van het weekblad Panorama zoals vermeld in uw blog van 30 maart 2006, waarbij een percentage van 8% werd genoemd wel als representatief beschouwd kan worden?

Mijns inziens zou een nieuw onderzoek zeker gewenst zijn. Travestie zit nog steeds in de taboesfeer waardoor het voor veel mannen met zulke gevoelens moeilijk blijft om hun vrouwelijke gevoelens te kunnen uitten.

donderdag, januari 26, 2012  
Blogger Mik van Es zei...

Dat Panorama-onderzoek was zeker niet representatief. Maar het kan natuurlijk best zijn dat de 8% die ze daar vonden toevallig ook uit een representatiever bevolkingsonderzoek rolt.

Ja, ik zou ook graag nieuw en beter onderzoek willen. Aan de andere kant is de uitkomst in de praktijk eigenlijk vooral politiek van belang doordat voor de politiek transgenders niet zichtbaar zijn.

Op het moment is wel het taboe op mannen in vrouwenkleding snel aan het verdwijnen. Ik zou dan verwachten dat het aantal echte travestieten kleiner wordt. Die dameskleding wordt dan immers eerder gewone kleding die haar specifieke lading verliest. We krijgen dan wel veel mannen die in vrouwenkleren lopen, maar we zien dat niet meer als travestie. Hetzelfde wat we bij vrouwen gekregen hebben.

vrijdag, januari 27, 2012  
Anonymous Anoniem zei...

Sedert 9/2/12 worden er op de site http://transgendernetwerk.nl/transgender/cijfers/
cijfers genoemd die ik niet helemaal kan rijmen met de cijfers die je in bovenstaand artikel hebt opgenomen. Of heb ik het mis?
JeanneH

dinsdag, februari 28, 2012  

Een reactie posten